Op deze pagina vind je basis lesstof van muziektheorie. Het is handig als je deze stof beheerst voordat je met het theorieboek aan de slag gaat.

Hoofdstuk 1 - Notatie en notennamen

1.1 Sleutels

Muziek wordt meestal genoteerd in een notenbalk. Dat is een systeem van vijf lijnen waarbij iedere lijn correspondeert met een toon. Ook staan er noten tussen de lijnen. Om een referentiepunt te hebben wordt er een sleutel genoteerd in de notenbalk. Meest gebruikelijk zijn de G sleutel (of vioolsleutel) en F sleutel (bassleutel).

De G sleutel wijst het lijntje van de G aan en de F sleutel het lijntje van de F. Gewoonlijk lezen hoge instrumenten in de G sleutel en lage instrumenten in de F sleutel. Hier onder is de zelfde toon C genoteerd in de G sleutel (links) resp. de F sleutel (rechts).

 

Theorieboek G- en F sleutel

1.2 Notennamen

In Nederland en de engelstalige landen worden notennamen aangeduid met de letters a, b, c, d, e, f en g. In franstalige landen hanteert men het systeem do re mi fa sol la si en in Duitstalige landen gebruikt men a, h, c, d, e, f, g (onze b heet dan h).

 

Theorieboek notennamen G sleutel

 

Theorieboek notennamen F sleutel

 

1.3 Hulplijnen

Een notenbalk heeft slechts vijf lijnen. Vaak moeten er noten hoger of lager gespeeld worden buiten de notenbalk. Dan worden hulplijnen gebruikt om elke gewenste noot te kunnen noteren. Hieronder zie je een voorbeeld met hulplijnen in zowel de G- als F sleutel.

 

Theorieboek notennamen G sleutel met hulplijnen

 

Theorieboek notennamen F sleutel met hulplijnen

 

1.4 Kruisen en mollen

De afstand tussen de opeenvolgende noten is steeds 1, behalve tussen E en F, en tussen B en C. Daar is slechts een 1/2 toonafstand. Dit kun je goed zien aan de witte en zwarte toetsen bij een piano : tussen E en F en tussen B en C zit geen zwarte toets.

Om een noot een halve toon te verhogen gebruikt men het symbool "#", het "kruis" Tevens krijgt de noot die verhoogd wordt de toevoeging "is" . Zo noemt men A#=Ais, B#=Bis=C, C#=Cis, D#=Dis, E#=Eis=F, F#=Fis en G#=Gis. Wil men een noot een halve toon verlagen dan gebruikt men het symbool "b", de (bé)mol. De notennaam krijgt dan de toevoeging "es". Zo noemt men Ab=As, Bb=Bes, Cb=Ces=B, Db=Des, Eb=Es, Fb=Fes=E en Gb=Ges.

 

Theorieboek kruizen notennamen G sleutel

 

Theorieboek mollen notennamen G sleutel

 

Als men een toon twee keer een half wil verhogen gebruikt men het dubbelkruis, genoteerd als "x". Als men een toon twee keer een half wil verlagen gebruikt men "bb", de dubbelmol. Dit lijkt onnodig, omdat je dan precies een toon hoger of lager uitkomt en het dan ook anders kan noteren. Soms kan het toch handig zijn de dubbelkruis of dubbelmol te noteren.

Hoofdstuk 2 - Notenwaarden en rust

2.1 Notenwaarden

De hele noot is de langste noot die we kennen. De halve noot duurt precies de helft van de hele noot, de kwartnoot weer de helft van de halve noot, de achtste noot de helft van de kwartnoot, de zestiende de helft van de achtste en de twee-en-dertigste de helft van de zestiende noot. In onderstaand schema kun je de verschillende noten zien.

notenwaarden 2.1

 

2.2 Rusten

Soms moet er niet gespeeld worden in muziek, er is dan rust. Elke nootwaarde heeft een equivalent als rust qua lengte. Voor de notatie zie hier beneden.

 

notenwaarden rust 2.2

2.3 Notenwaarden verlengen

Een punt achter een noot verlengt deze noot met de helft. Een hele noot met een punt duurt bijvoorbeeld even lang als een hele noot en een halve noot samen, een achtste noot punt duurt net zo lang als ene achtste noot en een zestiende noot samen.

 

notenwaarden verlengen 2.3

2.4 Hemiolen

Soms wil een componist dat er een ritmische figuur gespeeld wordt die niet precies uit komt met het metrum, zoals drie noten over twee tellen (de "kwartentriool"), vier over drie tellen (de "kwartool"), of vijf noten over een tel (de "kwintool"). In onderstaande afbeelding kun je enkele notaties zien.  Theorieboek - hemiolen

Horen hoe dit klinkt ? Hier kun je deze vier hemiolen beluisteren. Er wordt door de drums steeds een maat vooraf ingeteld en dan hoor je vier maten lang de hemiool. Let  op : bij de 3/4 maat (kwartool) wordt twee maten drums ingeteld.

Hoofdstuk 3 - Maat en maatsoorten

3.1 Uitleg

Net zoals je lengte in meters meet, meten we een muziekstuk in maten. Afhankelijk van het tempo en karakter van het stuk is er een maatsoort. De maatsoort heeft twee getallen. Het bovenste getal geeft het aantal tellen in de maat, het onderste geeft de teleenheid d.w.z. welke noot er precies één tel duurt. Bijvoorbeeld in een 3/4 maat zitten 3 tellen en de teleenheid is de kwartnoot. In een 12/8 maat zitten er 12 tellen en de teleenheid is de achtste noot.

De 4/4 maat is de meest voorkomende maatsoort en wordt genoteerd als 4/4 of C. Een snelle variant van de 4/4 maat is de 2/2 maat. Hierbij is de halve noot de teleenheid en zitten er twee tellen (halve noten) in een maat. Deze maat heet ook "a la breve" of "doorgesneden" maat en je kunt de maat tellen als 1e, 2e.

Elke maatsoort heeft een of meerdere delen waar de nadruk op ligt. Dit worden zware maatdelen genoemd. De andere delen heten dan lichte maatdelen. In een 2/4 maat ligt de nadruk op de 1e tel en de 2e tel is lichter van karakter. In een 4/4 maat zijn de een en drie zware maatdelen en de tel twee en vier de lichte maatdelen. In pop- en jazzmuziek krijgen vaak deze "afterbeats" (tel 2 en 4) nadruk. Meestal wisselt de harmonie echter op tel 1 en 3, zodat we dan nog steeds tel 1 en 3 de zware maatdelen noemen.

Maten kunnen enkelvoudig zijn (bijvoorbeeld een snelle driekwartsmaat), tweevoudig (bijvoorbeeld de 2/4 en 5/8 maat), drievoudig (bijvoorbeeld de 9/8 maat), viervoudig (bijvoorbeeld de 4/4 maat) en soms vijfvoudig zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een 11/8 maat die onderverdeeld kan worden als 2-2-2-2-3. Ook kan een een maat zesvoudig zijn, bijvoorbeeld bij een langzame 6/4 maat.

Als de afstand tussen de zware maatdelen steeds gelijk is spreken we van een regelmatige maatsoort. De bekendste maatsoorten zijn allemaal regelmatig. Bijvoorbeeld de 2/2 2/4, 4/4, 4/8, 6/8.

 

maatsoorten regelmatig

 

Als de afstand tussen de zware maatdelen niet steeds hetzelfde is, dan spreken we van een onregelmatige maatsoort. Vaak zijn er dan meerdere verdelingen gangbaar. Bijvoorbeeld een 5/4 maat kan worden geteld als 3+2 (zoals in Take Five), maar ook als 2+3. Een 7/4 wordt als 2+2+3 of als 3+2+2 geteld. In Balkanmuziek komen veel onregelmatige maatsoorten voor. Een 9/8 kan geteld worden las 3+3+3 (regelmatig), maar ook op de turkse manier als 2+2+2+3 (Blue rondo a la turk). Een 11/8 maat kan bijvoorbeeld geteld worden als 2+2+2+2+3, maar ook als 2+2+3+2+2. Enzovoort.

 

maatsoorten onregelmatig

Take Five en Blue rondo a la Turk (Dave Brubeck, 1959)

De bekendste jazz compositie in een 5/4 is Take Five. Pianist Dave Brubeck componeerde het en nam het op met zijn quartet in 1959. In datzelfde jaar componeerde hij ook "Blue Rondo a la Turk" waarin een 9/8 op zijn turks uitgevoerd wordt, dwz met onderverdeling 2-2-2-3 ipv de in de klassieke muziek gebruikelijke 3-3-3.

Take Five

Blue rondo a la turk

 

Hoofdstuk 4 - Tekens in muziek

4.1 Dynamische tekens

De sterktegraad wordt uitgedrukt als afkorting van een Italiaanse omschrijving. Oplopend van zacht naar hard zijn er de volgende sterktegraden :

  1. ppp = pianississimo = zeer, zeer zacht
  2. pp = pianissimo = zeer zacht
  3. p = piano = zacht
  4. mp = mezzo piano = half zacht
  5. mf = mezzo forte = half hard
  6. f = forte = sterk
  7. ff = fortissimo = zeer sterk
  8. fff = fortississimo = zeer, zeer sterk

Hierin kunnen nog verdere nuances aangebracht worden. Bijvoorbeeld piú f = meer dan forte = sterker dan forte, maar minder dan  fortissimo. Een componist kan dit voorschrijven, omdat te voorkomen dat er met een lelijke, te harde klank gespeeld wordt.

dynamiek

 

4.2 Tempi

Om aan te geven in welk tempo een muziektsuk gespeeld moet worden kan een exact getal genoteerd staan, bijvoorbeeld kwartnoot = 120. Het komt ook voor dat er een meer grove indicatie van het tempo voorgeschreven staat als een richtlijn met enige ruimte voor interpretatie. De namen van de verschillende tempi komen uit het Italiaans en zijn dan
1. largo = breed, zeer langzaam
2. lento = langzaam
3. andante  = gaande
4. moderato = gemiddeld snel
5. allegro = snel
6. presto = zeer snel

4.3 andere tekens

Andere veel voorkomende tekens in de muzieknotatie zijn

  1. crescendo  = luider worden
  2. decrescendo  = zachter worden
  3. diminuendo  = zachter worden
  4. rallentando = vertragen
  5. accellerando = versnellen
  6. piu mosso = meer beweging (sneller worden)
  7. meno mosso = minder beweging (langzamer worden)
  8. poco a poco = geleidelijk
  9. coda = slot
  10. D.S.  = dal segno = vanaf het teken
  11. D.C.  = da capo = vanaf het begin
  12. voorgaande maat herhalen
  13. voorgaande twee maten herhalen
  14. begin herhaling
  15. einde herhaling
  16. triller (een versiering waarbij de noot zelf en een toon hoger steeds snel achter elkaar gespeeld worden)
  17. 8 va het muziekfragment moet een octaaf hoger gespeeld worden
  18. 8 va basso het muziekfragment moet een octaaf lager gespeeld worden
veel voorkomende tekens